Naar de hoofdinhoud

Blog

Tegenwoordig heeft iedereen zich in LED verdiept, maar er is nog genoeg werk aan de winkel

Directeur Hugo Westhof van OVI-Enschede over lichtnormen, lichthinder, wat LED echt bespaart en hoe een vereniging verstandig investeert in LED-verlichting.

Gepubliceerd
Leestijd
8 min
Door
OVI Group

Een LED-veldverlichting installeren is niet ‘even een lampje indraaien’ of een armatuur uit China ophangen. Het draait om kwaliteit in de zin van duurzaamheid, en om precisiewerk waarbij je rekening houdt met lichthinder voor de buurt en met de lichtkwaliteit op het veld. Hugo Westhof, directeur van LED-specialist OVI-Enschede, vertelt over het vak en geeft tips voor de investering.

Tekst: Karlijn Santi Raats

Directeur Westhof deelt zijn kennis over LED-verlichting rond sportvelden

OVI-Enschede bestaat sinds 1992. Sinds directeur Hugo Westhof (32) tweeënhalf jaar geleden aantrad, is de lichtspecialist volledig gespecialiseerd in LED-verlichting voor sportvelden. Westhof had daarvoor een eigen armaturenbedrijf, waarvan hij de activiteiten in OVI-Enschede heeft ondergebracht. Oprichter Willem Spin is partner.

Goedkoop is duurkoop

In twee jaar groeide OVI-Enschede van vier naar negentien medewerkers, in de uitvoering en op kantoor. “Er is in de markt voor sportvelden nog veel te doen,” zegt Westhof. Hij zegt het niet vaak, maar de keerzijde van die kansen is dat ook cowboys ze proberen te grijpen, met of zonder Chinese lampen, en met verwachtingen die ze vervolgens niet waarmaken. “Nu er veel duurzaamheidssubsidies zijn, willen sommige bedrijven ook een stuk van de taart. Maar ze weten er eigenlijk te weinig van en gaan aanrommelen.

Als armaturen uit het buitenland komen en er gaat iets kapot waarvoor geen onderdelen zijn, of er is een armatuur gekocht van een bedrijf dat na drie tot vijf jaar van de markt is verdwenen, dan zit een club met de gebakken peren. In plaats van alleen de driver te vervangen, moet het hele armatuur eraf en komt er een nieuw op. Omdat dat een ander type is, loop je het risico dat het lichtbeeld niet meer klopt. Kortom: als het lichtbeeld door gerommel niet klopt of de wattages te laag zijn om aan de lichtnormen te voldoen, worden wij erbij gehaald om het op te lossen. Dat komt het duurzaamheidsverhaal niet ten goede.”

Leg met de leverancier ook vast wat er na de installatie gebeurt, is het advies van Westhof. “Het lichtbeeld kan niet optimaal zijn, de lichtopbrengst van het armatuur kan tegenvallen, de garantietermijn wordt misschien niet nagekomen, of de leverancier stuurt bij een storing een rekening voor de klimkosten omdat hij zelf niet klimt. Dat zijn allemaal dingen waardoor een club van een koude kermis thuis kan komen. De oplossing is vooraf duidelijkheid.”

Lichtnormen

Er zijn Europese richtlijnen opgesteld om de veiligheid van spelers en het spelplezier in de avond te waarborgen. Op basis daarvan geeft de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) adviezen aan NOC*NSF. De sportbonden stellen vervolgens normen op, vaak samen met de NSVV. Meestal worden de Europese normen gewoon overgenomen. De NSVV publiceert deze normen in een adviesblad.

De lichtwaarden waaraan sportveldverlichting moet voldoen, worden uitgedrukt in lux. Het aantal lux hangt af van de spelsnelheid, de grootte van de bal en of er televisiebeelden van een wedstrijd worden gemaakt, en verschilt dus per sport, klasse en veld. Volgens de norm moet de verlichting op een trainingsveld voor voetbal 75 lux halen en op een wedstrijdveld 120 lux. Bij een officiële KNVB-wedstrijd moet 200 lux worden gehaald. Hockey is nog sneller en de bal is hard en klein, dus minder goed zichtbaar: daar moet de lichtwaarde minimaal 300 lux zijn. Bij honkbal gaat de bal nog harder; daar ligt de lichtwaarde op het infield richting 750 lux.

Westhof: “De Europese richtlijnen voor tennis en hockey liggen iets hoger dan de Nederlandse normen. NOC*NSF wil daar binnenkort bij aansluiten. Hockey klasse 2 en 3 gaan nu naar minimaal 300 lux. Het zijn kleine veranderingen, maar ze kunnen grote gevolgen hebben. Meer licht betekent meer armaturen, en dat betekent weer dat de energiebesparing die je met LED nastreeft kleiner wordt.”

De vraag is er

Elk jaar komen er bij OVI-Enschede meer opdrachten en aanvragen binnen. Westhof: “Drie jaar geleden stonden we soms op een beurs waar mensen langs de stand kwamen om zich over LED-verlichting te laten informeren. Tegenwoordig heeft iedereen zich er al in verdiept. Soms hebben mensen zelfs al een voorkeur voor een bepaald armatuur.” Maar er is nog genoeg werk aan de winkel. Westhof schat dat nog altijd meer dan 60 procent van de verenigingen niet aan de lichtnormen voldoet. “Bij conventionele lampen loopt het licht na 2.000 branduren al 44 procent terug. Dat is op zich al veel. Maar als je lampen heel lang laat zitten en geen jaarlijks onderhoud doet, als je de reflectorkap niet schoonmaakt, zodat die dof wordt, minder reflecteert en het licht minder goed verdeelt, dan haal je de lichtnormen zeker niet. Ik heb onlangs langs een trainingsveld gemeten en haalde daar nog geen 35 lux.”

Het voordeel van LED is dat de lichtwaarde veel minder terugloopt dan bij conventionele lampen. “Er wordt een nieuwe lichtinstallatie geplaatst met een bepaalde luxwaarde,” zegt Westhof. “Dat deed je vroeger ook. Maar de veroudering van een LED-armatuur en de afname van de lichtopbrengst gaan veel langzamer dan bij conventionele verlichting. Een LED-armatuur gaat ongeveer vijftien tot twintig jaar mee. Een conventionele lamp misschien ook tien jaar, maar dan heb je na die tien jaar vrijwel geen licht meer. De gasontladingslamp werkt met verbranding en brandt zichzelf eigenlijk op.”

Lichthinder

OVI-Enschede werkt vaak met een lichtplan, bijvoorbeeld bij gescheiden trainings- en wedstrijdvelden. Maar in veel standaardsituaties (zes masten ter hoogte van de achter- en middellijn) hoeft er niets te worden uitgerekend. Wat OVI-Enschede onderscheidt van een minder gespecialiseerd bedrijf, is de analyse van lichthinder. Daar zijn normen voor. In een E2-gebied, stedelijk gebied, mag bijvoorbeeld maar 10.000 candela (kijkend in het armatuur) en niet meer dan 10 lux op de gevel op 1,8 meter hoogte schijnen. “Lichthinder is onderdeel van het lichtplan, en dat deel is altijd een beetje puzzelen. Aan de ene kant moet je aan de lichtnormen voldoen, aan de andere kant mag de verlichting van een sportpark de buren niet storen. De puzzel zit in hoe je de armaturen richt en welke armaturen je gebruikt. Bij een recent project in Katwijk werd naast het voetbalveld een nieuwe woonwijk gebouwd, met huizen op 20 tot 30 meter van het veld. We hebben om bewonersparticipatie gevraagd en de bewoners uitgenodigd bij de club. Wij gaven een presentatie over lichthinder en de oplossingen daarvoor; de club vertelde over haar plannen en planning. We geven de bewoners de garantie dat ze geen last krijgen van de verlichting.”

Conventionele lampen kunnen lichthinder veroorzaken doordat ze via de reflectorkappen strooilicht afgeven. Daardoor kunnen tuinen en gevels van omwonenden worden verlicht, wat zij als storend ervaren. LED is veel minder diffuus, maar tegelijk gerichter en daardoor feller: je kijkt ’s avonds laat liever niet in de verkeerd afgestelde LED-koplampen van een tegenligger. Dat verblindt. Ook wie in het armatuur kijkt, ziet feller licht dan bij conventionele verlichting. Westhof: “Er zijn tegenwoordig mooie oplossingen tegen lichthinder. Philips heeft interne louvres: een soort lamellen die in het armatuur zijn verwerkt en de lenzen heel goed afschermen. Als je in zo’n armatuur kijkt, zie je wel een lichtbron, maar die prikt niet meer in je ogen. Dat betekent wel dat er op het veld wat licht verloren gaat.

Dan kijken we hoe we de armaturen zo goed mogelijk richten. In sommige gevallen zijn er meer armaturen nodig. Ook AAA-Lux heeft een mooi armatuur tegen lichtvervuiling. Dat staat helemaal vlak afgesteld, met de lenzen onder een hoek en externe afschermkappen. Daardoor zie je buiten het veld vrijwel niets; alsof het donker is.”

Besparen met LED

Succes met LED-verlichting hangt volgens Westhof vooral af van eerlijk advies. “Soms wordt er onzin verkocht door partijen die bijvoorbeeld beweren dat een club 80 procent energie kan besparen. Dat klopt als je thuis een gloeilamp vervangt door een LED-lamp van 5 watt, maar niet bij sportvelden. Daar moet je aan de lichtnormen voldoen. Als een voetbalveld 120 lux nodig heeft, heb je daar een bepaald aantal armaturen voor nodig. Bovendien willen verenigingen vaak meer licht dan ze hadden en tegelijk besparen. LED-verlichting geeft wel veel meer licht, maar geen 80 procent energiebesparing. Denk eerder aan 60 procent.”

Waar je direct harde euro’s mee verdient, is een lagere aansluitwaarde. “Een aansluitwaarde van drie keer 120 tot 125 ampère is gebruikelijk bij een grotere club met vier tot vijf velden, een kantine met een grote frituur en kleedkamers. Dat vermogen is bij een conventionele lichtinstallatie nodig om de gasontladingslampen te starten; dan ontstaat er piekverbruik. LED-verlichting heeft bij het opstarten geen piekverbruik. Daardoor kan het vastrecht naar een middelgrote of zelfs kleine aansluiting. Dat scheelt 1.500 of zelfs 2.000 euro per jaar.”

Investeren: hoe pak je dat aan?

Westhof schat dat in 60 procent van de gevallen de gemeente de LED-verlichting aanschaft en in 40 procent de vereniging zelf. Verenigingen moeten dan zelf genoeg middelen hebben of de investering op een andere manier financieren. Hoe doen clubs dat slim? In de praktijk ziet OVI-Enschede niet vaak dat verenigingen alleen een lening gebruiken. Dat lijkt samen te hangen met de typisch Nederlandse instelling ‘we geven niet uit wat we niet hebben’. Feit is wel dat de traditionele lichtinstallaties zijn afgeschreven: verenigingen of gemeenten moeten er op afzienbare termijn mee aan de slag. Hoe investeer je, vooral als vereniging, verstandig?

Westhof noemt een paar aandachtspunten: “In elk geval wordt al 30 procent gefinancierd uit de BOSA-regeling. Sluit je een lening af om de rest te financieren, controleer dan goed of de looptijd niet langer is dan de garantie. Anders betaal je na afloop van de garantie alle reparaties uit eigen zak, bovenop je eigen bijdrage. Je kunt kiezen tussen een kortere lening of een langere garantietermijn.” Tot slot wijst Westhof op de mogelijkheid van een leaseconstructie, die OVI-Enschede aanbiedt.

Dit interview verscheen in 2020 op onze website. De genoemde normen, percentages en bedragen zijn van dat moment. De Nederlandse tekst is opnieuw opgesteld op basis van de gearchiveerde versie; heeft u een vraag over uw eigen situatie, neem dan contact met ons op.

Contact

  • 5.000+ projecten gerealiseerd
  • ISO 9001
  • VCA**
  • NOC*NSF

Advies, offerte of technische ondersteuning?

Onze specialisten denken met u mee over lichtniveau, mastopstelling en onderhoud. Bel ons of vraag een offerte aan.